Stichting Behoud Hoogaars gebruikt cookies om de website te analyseren en voor social media. Door gebruik te blijven maken van deze website of door hieronder op "Akkoord" te klikken, geeft u aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies.

Stichting Behoud Hoogaars

Eeuwenlang hebben houten zeilschepen de Deltawateren doorklieft. Ze werden gebruikt als vrachtschip, onderhielden een veerdienst of werden gebruikt in de visserij. Later ging men er ook mee spelevaren. Tussen 1900 en 1940 voeren er ongeveer duizend kleine en grote houten schepen in de Delta die ingezet werden in de visserij.

Boven de Westerschelde werd vooral gevist met hoogaarzen, in Zeeuws Vlaanderen was de Hengst in zwang. Beide types zijn platbodems en daarmee zeer geschikt voor de Zeeuwse Delta met z'n vele ondieptes.

De Stichting Behoud Hoogaars heeft van beide scheepstypes een exemplaar. De vissermanhoogaars Andries Jacob, de YE 36 gebouwd bij van Duivendijk op Tholen in 1900 en de Hengst De Drie Gebroeders, de TH 49, gebouwd bij Verras in de Paal in 1908.

In de jaren twintig van de vorige eeuw werd het "bon ton" in Antwerpen en Gent bij mensen met oud of nieuw geld om te gaan spelevaren met een hoogaars. "Ach, doet u mij maar een hoogaars. Moet je dan kunnen zeilen? Oh, doe er maar een schipper bij. Uit die traditie heeft de SBH de jachthoogaars Alcyon in eigendom, gebouwd bij Meerman in Arnemuiden in 1928. Deze drie schepen zijn in de loop der tijd grondig gerestaureerd door de SBH.

Met uitzondering van garnalenvissers hadden alle vissers in de Delta een bijboot, meestal een Hollandse Boot. In 2005 heeft de SBH een replica van een Hollandse Boot gebouwd, de "Botje"

Dan stond er op de werf in Arnemuiden nog de hoogaars Triton te wachten op betere tijden.(link) En ergens op een boerenerf staat een zogenaamde steekhengst te verkommeren. Deze steekhengst, de Boreas, wordt het volgende restauratieproject van de SBH en zal dus gered worden van de sloop.

In 2012 heeft een particulier de voreger door het waterschap gebruikte peilboot aan de Stichting geschonken. Deze boot, een Zeeuwse Schouw, heeft jarenlang in Zeeland gelegen, was nog in goed staat. Een aantal jaren is de boot met zijn eigenaar geëmigreerd naar Canada. En nu dus weer terug in eigen wateren. De boot heeft nieuwe zeilen gekregen. Het vergt nog even tijd voor deze boot het water in kan. Door een lange tijd op het droge is de boot niet meer waterdicht.

In oktober 2004 is men in de Timmerfabriek in Vlissingen begonnen met de bouw van een Hollandse boot. De Hollandse boot was een zeer verspreid scheepstype dat eeuwenlang gebruikt werd voor allerlei doeleinden, als werkboot en als bijboot voor binnenschippers en vissers. Bij elke brug of sluis zag men zo’n boot van de Waterstaat liggen. Voorzover bekend zijn rond 1950 de laatste houten Hollandse boten gebouwd en anno 2005 zijn ze geheel van het water verdwenen.Hollandse boten werden op vele werven in heel Nederland gebouwd, zo ook op de Zeeuwse werven als Verras in De Paal, Duivendijk op Tholen, Meerman te Arnemuiden en De Klerk te Kruispolder.

Veel Zeeuwse vissers gebruikten een Hollandse boot als bijboot bij hun hoogaars of hengst. Speciaal voor de botvisserij werd het achterschip van de boot uitgevoerd met een spiegel. De hiervoor gebruikte netten, het ‘staand want’, vaak wel 1500 meter lang, werd over het achterschip uitgeroeid.

Bij toeval ontdekte Han Reijnhout in 1984 op de werf in Tholen een plankje met enkele maten plus twee mallen voor de knieën. Bij navraag bleken deze maten en mallen de benodigde attributen te zijn waarmee Duivendijk rond, of vlak voor 1950 een laatste serie van tien Hollandse boten voor Rijkswaterstaat bouwde. Het zijn deze maten en mallen die gebruikt zijn om op de klassieke wijze de boot te bouwen die in gebruik is genomen als bijboot voor de hengst TH 49. De boot is kompleet uitgevoerd met zwaarden, roertje en een spriettuig.

De hengst De Drie Gebroeders is gebouwd in 1908 op de werf 'Moed en trouw' van Petrus Verras in De Paal. Volgens visserijregister ingeschreven als GRA 13 Twee (!) Gebroeders A. Ivens 25-9-1926, 47 M3 BRT, 21 m3 netto mosselvisserij, afgevoerd op 27-3-29 als TH 49, door J.J. Schot ingeschreven op 11-4-29 ook als Twee Gebroeders. Volgens bewijs nr.49 van de Rijksinkomstenbelasting door J.J. Schot op 10 -10-24 aangemeld. Volgens J. Hassel, de vorige eigenaar, gebouwd in 1908, eerst als GRA 13, daarna Z 22 (Zeebrugge), daarna TH 49. Ook zou het schip nog in de Clinge gevaren hebben (?). Het ziet er naar uit dat Schot de visbun heeft laten inbouwen.

De boot heeft zonder kluiverboom een lengte van 11,75 mtr., grootste breedte 4,25 mtr., top van de mast 11, 75 mtr. boven water. Het schip heeft een diepgang van 60 cm. Terwijl het vol getuigd 90 m2 zeil voert. Naast het zeil kan gebruik worden gemaakt van een 9 PK Anglo Belge gloeikopdiesel (ABC-motor). In 1958 werden de koppen van de klossen vervangen. In de winter van 60/61 werd de visbun verwijderd en werd het schip door Duivendijk voorzien van een roef met mahonie interieur.

In de buurt van het kot werden enkele knieen vervangen. Later werd de gloeikop vervangen door een Peugeot-diesel van 50 PK. In 1981 werd het schip aangekocht door Jurgen Hassel en Christel Maye. De hengst lag toen bij een werf in Leimuiden (Stofberg?), en was in een slechte staat. Door Duivendijk zijn toen enkele reparaties verricht. Uniek is dat door Jurgen Hassel een uitgebreid fotoarchief werd aangelegd, foto's gemaakt tijdens de aankoop door dhr. De Leeuw, foto's van de ombouw van visserman tot jacht en uiteraard foto's uit de periode dat hij zelf met het schip voer. In februari 1996 verkochten zij het schip aan de Stichting Behoud Hoogaars. Helaas was het schip inmiddels in een te slechte staat om door de SBH te worden ingezet. Plannen werden gemaakt voor een grondige restauratie en er werd enthousiast begonnen aan het verzamelen van fondsen voor de restauratie. Uit het schip werden de motorinstallatie en het interieur verwijderd en het casco werd zo goed mogelijk geconserveerd. Nadat het schip ongeveer 2 jaar op de kant had gestaan op een terrein in Kats werd het op 5 september 2000 op een dieplader naar Vlissingen gebracht. In de voormalige timmerfabriek van de Kon. Mij. De Schelde is zij volledig gerestaureerd,

In 1900 wordt op de werf van Dirk van Duyvendijk op Tholen de hoogaars VE 13 gebouwd als garnalenvisser voor Jan Bliek uit Veere. Met haar lengte van 14.85 meter over de stevens is ze voor die tijd een groot schip. Doorgaans bedroeg de lengte zo'n 11 tot 13 meter. Ook wordt haar vlak tamelijk breed opgezet: 10 Amsterdamse voeten (2,80 mtr.) Hierdoor is haar draagvermogen groter dan de meeste hoogaarzen van die tijd. Ze kan dus veel lading meenemen. Ook wordt haar achterschip, de aars, ronder gebouwd, zodat ze het water makkelijker los laat, hetgeen haar snelheid ten goede komt. Nog weten oude vissers te vertellen dat de VE 13 een snelle zeiler was.

De ye 36 na de restauratie

Of Bliek tevreden was met de 'Vrouwe Anthonie' is niet bekend. Wel weten we dat hij de VE 13 al in in 1913 verkoopt aan zijn schoonzoon Minneboo. Zoals de meeste Zeeuwse schepen krijgt ook de VE 13 in de twintiger jaren een motor. Het oude visserijconsent (vergunning) vermeldt dat de Kromhout in 1923 wordt ingebouwd. Dit betekent echter niet dat de zeilen van boord gaan. De motor dient aanvankelijk als hulpmiddel. Hij wordt gebruikt als de wind of stroom uit de verkeerde hoek komt in de smalle stroomgaten van de Zeeuwse delta.

In 1931 verhuisd de VE 13 naar de familie Pekaar in Yerseke en wordt nu geregistreerd als YE 114. De 'Drie Gebroeders', zoals het schip nu heet, wordt al in 1935 voor 3000 gulden doorverkocht, nu aan Marinus Verschuure. Hij verkoopt hiervoor zijn Zeeuwse Schouw, de YE 36 en herdoopt zijn nieuwe schip als 'Andries Jacob', de naam van zijn zoon. Het schip overleeft de tweede wereldoorlog, mede doordat de zoon, die machinist op de grote vaart is geweest, de motor op eenvoudige wijze onklaar maakt. Zo wordt de YE 36 onbruikbaar voor de bezetter. Vlak voor de bevrijding komt het schip nog te zinken door een dichtbij ontploffende granaat.

In 1947 wordt de Kromhout motor vervangen door een 2-cyl. Widdop van 80 pk. Het schip wordt opnieuw klaar gemaakt voor de mosselkweek. De daaropvolgende jaren maakt het schip wekelijks een reis naar de waddenzee en terug. Zoals blijkt uit het visserijconsent neemt in 1954 de zoon Andries Jacob het schip van zijn vader over. 

Deze blijft tot 1968 met het schip vissen en verkoopt het dan aan de watersport. Na nogal wat omzwervingen via Nijmegen en Harderwijk komt het schip uiteindelijk in het bezit van scheepstimmerman Piet Dekker uit Kortenhoef. Het nagenoeg tot wrak verworden schip wordt door hem teruggebracht in de originele staat: een Zeeuws vissersschip, de Hoogaars YE 36. Eind 1978 verkoopt hij de YE 36 aan Adrie de Jonge uit Den Bommel, die het schip met veel liefde, inspanning en financiele oppoffering verder restaureert en uitrust tot de laatste vissende houten mosselhoogaars.

Op 7 september 1990 wordt de YE 36, in aanwezigheid van Andries Jacob Verschuure, zijn kleinzoon, alsmede de zoon van Sander Minneboo aan de Stichting Behoud Hoogaars overgedragen, waarbij een ieder de wens uitspreekt dat het voor de huidige en toekomstige generaties een levend bewijs mag zijn voor wat de visserij heeft grootgemaakt.

In 1928 werd op de werf van Meerman in Arnemuiden de ARM 42 gebouwd, een eikenhouten hoogaars van 13.85 m. Vermoedelijk is zij dan de laatste vissermanhoogaars die zonder motor wordt gebouwd. Het schip is dus nog maar gedeeltelijk afgebouwd als begin oktober 1928 de opdracht wordt gegeven voor afbouw als jacht. In november van dat jaar wordt Albert de Hemptinne de nieuwe eigenaar. Hij laat een 4 cilinder Ailsa-Craig benzine motor van 12 pk inbouwen en geeft het schip de naam "Goëland". Nadat in 1932 een nieuwe motor (Volvo penta) is ingebouwd, wordt de "Goëland" te koop aangeboden, zoals blijkt uit advertenties is 1932 en 1933.

Vermoedelijk in 1934 koopt Henry Beyer het schip, dat dan zichtbare tekenen van verwaarlozing vertoont. Een grote beurt is nodig, de romp wordt helemaal kaal gehaald, en in 1935 wordt ze onder de naam Alcyon II ingeschreven in Lloyd's Register of Yachts Ook wordt ze ingeschreven bij de Royal Antwerp Yacht Club in de klasse OB, nummer 8. Ze heeft dan ook een eigen herkenningsvlag, een witte ijsvogel op een turkooizen veld.

Alcyon na de laatste restauratieHet laatste jaar van inschrijving was 1972. In de jaren 1937 en 1938 neemt de Alcyon II regelmatig deel aan de grote evenementen in Antwerpen, maar nooit met veel succes. Na het overlijden van Henry Beyer in 1944 wordt de Alcyon eigendom van zijn schoonzoon, Pierre Boumans. Er wordt vrijwel ieder weekeinde gevaren, waarbij mevrouw Boumans-Beyer meestal aan het roer staat. Tijdens de oorlog is de familie, die van Franse afkomst is, gevlucht naar Frankrijk, en heeft een relatie geprobeerd het schip ook in Frankrijk in veiligheid te brengen. Achterhaald door de vijandelijkheden is de Alcyon II ergens aan de Frans-Belgische grens blijven liggen. Toen het jacht werd teruggevonden was de gehele inventaris verdwenen, maar het schip was in essentie intact. Het is direct nadien teruggevaren naar Antwerpen. In de zestiger jaren was de Alcyon II thuis in Lillo, en had een vaste schipper, de bekende "Koning van Lillo" Staf de Lee. Deze is tot zijn tragisch overlijden in 1972 schipper op de Alcyon II geweest. Kort na deze gebeurtenis is het jacht verkocht aan de familie Dendekker uit 's Gravenwezel. In het begin van de negentiger jaren raakt het schip in de versukkeling en in 1997 wordt het inmiddels slechte schip aangekocht door de Stichting Behoud Hoogaars. Dankzij een subsidie van de Euregio kan in december 1999 worden aangevangen met een volledige restauratie. Op 16 juni 2001 wordt het schip gedoopt door mevr. Boumans - Beyer (88 jaar) en de heer W.T. van Gelder, commissaris van de Koningin in Zeeland. Sinds de tewaterlating wordt dit volledig gerestaureerde schip met veel succes ingezet door de stichting.